1.
Stacks Image 451
Stacks Image 465
Stacks Image 469
In zeven haasten…

De teller stond op acht soorten. Maar het enige echte, archetypische lieveheersbeestje had ik nog nooit voor mijn lens gekregen. Het was dan ook al heel lang geleden dat ik in de tuin nog een zevenstippelig lieveheersbeestje had gezien. Verdrongen door zijn veelkleurig Aziatisch neefje? Deze buitengewoon variabele kevertjes worden wereldwijd ingezet voor de bestrijding van bladluizen in broeikassen. Alle Aziaten in de tuin stammen dus af van uit kassen ontsnapte exemplaren. In 2001 worden ze hier voor het eerst in het wild waargenomen. Een jaar later
duiken ze ook in Nederland op en in 2004 bereiken ze Groot-BrittannieĢˆ. Het is niet duidelijk of en in welke mate ze een bedreiging vormen voor inheemse soorten, zoals het zevenstippelig lieveheersbeestje. Feit is dat ze intussen in veel tuinen al de meest voorkomende soort zijn. Ze planten zich blijkbaar sneller voort en zijn ook net iets groter dan hun inheemse concurrenten. Hun opmars naar het noorden lijkt in elk geval niet te stuiten. Hoe dan ook: in de zomer van 2010, tijdens een zoveelste vergeefse poging om een boeiende, scherpe foto van een gamma-uil te maken,
Stacks Image 502

Nog net op tijd. Mijn allereerste foto van een zevenstippelig lieveheersbeestje.

landt een lekker ouderwetse zevenstip pardoes op mijn hand. Ik aarzel geen seconde en klik erop los, maar al na de derde klik is de vogel gevlogen. Gelukkig leveren die drie in zeven haasten gemaakte foto's – ijlings, voor de Nederlandse kijkers – toch één behoorlijke plaat op. Merkwaardig is wel dat ik de daaropvolgende weken in de tuin tientallen zevenstippelige lieveheersbeestjes ontdek, terwijl er geen Aziaat te bespeuren valt. Pas vanaf september tref ik weer af en toe een veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje aan. Is het rode, oranje, gele, zwarte gevaar geweken? Het zou me verbazen, maar 2010 was voor deze ruim honderd variëteiten tellende soort blijkbaar allesbehalve een goed jaar.
Oranje boven!

Er zijn twee soorten orangisten. De eerste soort leeft ten noorden van België, in een streek die zichzelf op de culinaire landkaart zette met een handvol banale kazen, zoute drop, gekaakte haring en Mora-snacks. De tweede soort komt haast uitsluitend ten zuiden van Nederland voor en weet wél wat lekker is. De noordelijke orangist is door de bank genomen extreem koningsgezind, eerder conservatief en praktiserend christen. De zuidelijke soort is overwegend republikein, ietwat progressiever en doorgaans uitgesproken vrijzinnig. Veel taxonomen zijn dan ook
Stacks Image 533

Hup Holland hup! Bij de tengere grasjuffers heeft Oranje alleen piepjonge, vrouwelijke supporters.

van mening dat de zuidelijke orangist in feite een Groot-Nederlander van Vlaamse bodem is. Hij of zij – over de man-vrouwratio zijn geen exacte gegevens beschikbaar, maar in het veld worden nauwelijks vrouwtjes waargenomen – droomt ervan om de biotopen van alle orangisten te verenigen tot een aaneengesloten leefgebied met één officiële taal, één dominante cultuur en één onoverwinnelijk nationaal elftal. De soort is echter, helaas dan wel gelukkig, uiterst zeldzaam en volgens sommige bronnen zelfs bedreigd. Dat geldt niet voor de tengere grasjuffer hiernaast, een vrij zeldzame soort die in onze contreien niettemin steeds vaker opduikt. Sinds de dwergjuffer in de vorige eeuw uit België en Nederland verdween, is dit met amper 3 cm de kleinste libel van de Lage Landen*. Jonge vrouwtjes zijn makkelijk te herkennen: ze zijn net zo giftig oranje als half Nederland op Koninginnedag of tijdens het jongste WK voetbal in Zuid-Afrika. Ik maakte de foto enkele dagen
nadat het Nederlands elftal in de finale vakkundig door dat van het land van de appeltjes van oranje van de grasmat werd geveegd. De vrouwtjes worden snel donkerder. Ze kleuren groen of blauw en zijn dan soms moeilijk van andere, kleine juffers te onderscheiden. De mannetjes worden vaak verward met de net iets grotere lantaarntjes.

* In april 2016 werd in Nederland de ontdekking van een populatie dwergjuffers bekendgemaakt. De exacte locatie bleef geheim.
Negen voor twaalf…

De tijd staat stil. Althans volgens de milieubeweging. Die beweert immers al zowat mijn halve leven dat het vijf voor twaalf is. Deze veldsprinkhaan, hoogstwaarschijnlijk een krasser, is het zat en besluit om zelf poolshoogte te nemen. Blijkt dat het niet vijf, maar negen voor twaalf is. Een opluchting? Ik lig er niet van wakker, al vrees ik vaak dat het hoe dan ook te laat is. Maar te laat waarvoor? Kijk, dat is me dus niet helemaal duidelijk. Te laat om de opwarming van de Aarde een halt toe te roepen? In 1990, het jaar van het eerste IPCC-rapport en zestien jaar
vóór de lancering van An Inconvenient Truth, lees ik twee boeken over het broeikaseffect: The End of Nature van Bill McKibben en Dead Heat: The Race Against the Greenhouse Effect van Michael Oppenheimer en Robert H. Boyle. De boodschap is duidelijk: het einde is nabij, tenzij we het roer en onze manier van leven drastisch omgooien. Dat doen we natuurlijk niet – dat kúnnen we niet! – en twintig jaar later is het einde dan ook zo nabij dat je het bijna kunt aanraken. Of toch weer niet? Feit is dat beide alarmerende boeken zowel de verwachte opwarming als de negatieve gevolgen ervan duchtig overschatten. Kwestie van gehoor te krijgen? Ik gun de auteurs het voordeel van de twijfel, maar het armageddon verkoopt uiteraard wel stukken beter dan oersaaie, voorzichtige prognoses die uitsluitend zijn gebaseerd op betrouwbare data en herhaaldelijk getoetste modellen. Intussen vrees ik dat het debat over global warming, dat ik met meer dan
Stacks Image 572

Vijf voor twaalf? Deze veldsprinkhaan weet wel beter!

gewone belangstelling volg, niet veel meer is dan een gigantische verspilling van kostbare tijd, middelen en energie. Warmt de Aarde op? Komt dat door een versterkt broeikaseffect? Is dat te wijten aan de toenemende uitstoot door menselijke activiteiten van CO2, CH4 en andere broeikasgassen? Nemen daardoor natuurrampen, hongersnoden en andere calamiteiten toe? Zelfs als dat allemaal het geval is, dan nóg is global warming geen probleem op zich, maar het gevolg van een probleem waaraan we wél iets kunnen doen. It's the overpopulation, stupid!
Drama op Amerikaanse roodrand

Elk voorjaar, meestal half maart, zaai ik in de moestuin Amerikaanse roodrand. Deze slasoort vormt geen krop. Het is een pluksla met een licht gekroesd, rood-groen blad. Minder mals dan botersla, minder knapperig dan ijsbergsla,
Stacks Image 603

Het slachtoffer kon ik niet identificeren, maar de dader is Machimus atricapillus, een roofvlieg zonder Nederlandse naam.

maar wel veel makkelijker om te telen en toch minstens even lekker. Ik zaai twee rijen van een meter of twee en dun de jonge plantjes uit tot op een dertigtal cm. Veertien stevige planten volstaan doorgaans om tot diep in augustus regelmatig verse sla te oogsten. Je plukt gewoon telkens alleen de onderste bladeren en laat de planten verder ongemoeid. Ze kunnen behoorlijk hoog worden en zijn erg decoratief. Bovendien bieden de grote, bobbelige blaren beschutting aan spinnen, hooiwagens en talloze insecten. Eén van de vaste gasten is Machimus atricapillus, een opvallend geknevelde roofvlieg die de
sla graag als uitkijkpost én feestdis gebruikt. Hij vangt zijn prooien – meestal andere vliegen – in de vlucht en zuigt ze vervolgens uit. De witte larven brengen de winter in de bodem door en zouden al net zo bloeddorstig zijn.
Meer blauw in de tuin!

Blauwtjes, vuurvlinders en kleine pages vormen samen de Lycaenidae, een familie van relatief kleine en middelgrote vlinders. Wereldwijd telt de familie zowat zesduizend soorten, goed voor veertig procent van alle bekende dagvlinders. Van de zestien soorten die tot in de 20ste eeuw in Vlaanderen voorkwamen, zijn er intussen
twee verdwenen. Volgens de Vlaamse Rode Lijst zijn negen soorten met uitsterven bedreigd, bedreigd, kwetsbaar of zeldzaam. Van één soort, de iepenpage, is de status onvoldoende gekend, maar de vlinder werd de jongste jaren alleen nog in de buurt van Brussel waargenomen. Slechts vier van de veertien soorten die nu nog in Vlaanderen voorkomen, zijn momenteel niet bedreigd. Drie daarvan kon ik al in de tuin fotograferen: de kleine vuurvlinder, het icarusblauwtje en het boomblauwtje. Eén keer kreeg ik ook het kwetsbare bruin blauwtje te zien. In Nederland doet de familie het niet beter, ondanks de herintroductie van het pimpernelblauwtje en het donker pimpernelblauwtje in de buurt van Den Bosch (1990). Volgens de Nederlandse Rode Lijst zijn tien soorten uitgestorven of ernstig bedreigd. Drie soorten zijn bedreigd, één is kwetsbaar en twee hebben de status gevoelig. Alleen het viertal dat ook in Vlaanderen nog algemeen is, is momenteel ook in Nederland niet bedreigd. Kortom: de
Stacks Image 642

De rupsen van heel wat vlinders zijn monofaag. Die van het boomblauwtje zijn minder kieskeurig en lusten minstens twaalf verschillende waardplanten.

familie van de blauwtjes, vuurvlinders en kleine pages doet het in de Lage Landen allesbehalve goed. Laat je dwaalgasten en trekvlinders als de atalanta of de distelvlinder buiten beschouwing, dan zijn vandaag zowel in Nederland als in Vlaanderen amper 23 soorten inheemse dagvlinders veilig. Min of meer, want zelfs van die soorten boeren sommige duidelijk achteruit, ondanks alle inspanningen om het tij te keren.
Lang zullen ze lijven!

De Belgische soortenlijst omvat elf soorten langlijven of Sphaerophoria, een geslacht van zweefvliegen met een opvallend lang en smal achterlijf. Tref je in je tuin nooit één van die soorten aan, dan moet die ongeveer zo saai zijn als het eerste hoofdstuk van het bijbelboek Numeri en zo doods als de stilte die volgt op een schuine mop over
Stacks Image 673

Hoogstwaarschijnlijk een grote langlijf en in elk geval een vrouwtje.

de profeet tijdens het vrijdaggebed in een wahabitische moskee. Een gemillimeterd gazon met een cipressenhaag eromheen, bijvoorbeeld. Eén ordinaire paardenbloem en er landt eerder vroeg dan laat een langlijf op. Het exemplaar op de foto is duidelijk een vrouwtje. Het achterlijf van de mannetjes is immers cilindervormig en lijkt op een stokje. De verschillende soorten zijn uiterst variabel getekend en alleen op basis van een foto niet met zekerheid te determineren. De enige uitzondering is het mannetje van de grote langlijf, een uiterst algemene
soort. Zijn vleugels zijn immers stukken korter dan zijn rolrond achterlijf. Toen ik de foto nam waren er flink wat mannetjes van deze soort te zien. Het zit er dus dik in dat ook het vrouwtje hierboven een grote langlijf is.
Smile, you're on camera!

Het is erg moeilijk om naar het portret van deze bruinrode heidelibel te kijken zonder het beest in kwestie stante pede sympathiek te vinden. Dat komt doordat het lijkt alsof de libel glimlacht. Net een smiley! Uiteraard zegt dat helemaal niets over de gemoedsgesteldheid van het dier – insecten vertonen geen gelaatsuitdrukkingen – en alles over hoe je zelf in elkaar zit. In The Expression of the Emotions in Man and Animals verdedigt Darwin de stelling
dat de meeste gelaatsuitdrukkingen en zeker de glimlach niet aangeleerd, maar aangeboren zijn. Juist daardoor zijn ze voor iedereen herkenbaar en hebben ze in alle culturen min of meer dezelfde betekenis. De meeste mensen zijn zelfs perfect in staat om een echte glimlach te onderscheiden van een valse, zoals die van de winkeljuffrouw in de kledingzaak die vriendelijk vraagt of ze je kan helpen. Niettemin is ook zo'n overduidelijk geforceerde glimlach ons liever dan een neutraal, laat staan een nors gezicht. Waarom vinden de meeste mensen dolfijnen toch zo'n leuke dieren? Omdat ze altijd lijken te glimlachen, ook al zitten ze verstrikt in een gigantisch drijfnet en staan ze op het punt om te verdrinken. Geen idee of het ooit is onderzocht, maar het zou me niet verbazen indien zou blijken dat mensen met van nature hangende mondhoeken gemiddeld minder vrienden, minder leuke jobs en lagere inkomens hebben. Niet voor niets biedt de schoonheidsindustrie intussen ook al
Stacks Image 712

Kijk vrolijk en maak vrienden; kijk nors en maak rimpels. (George Eliot)

mondhoekcorrecties aan. Say cheese! roept de fotograaf. Rest de vraag waarom uitgerekend mannequins zo goed als nooit glimlachen, zeker niet op de catwalk. Uitgehongerd? Knellen hun schoenen? Smachten ze naar het volgende lijntje coke? Volgens insiders is het omdat een glimlach zo onweerstaanbaar is dat niemand nog op de kleren zou letten. Volgens outsiders zou dat in de meeste gevallen juist een goede zaak zijn. Ik weet niet wie Lee Mildon is of was, maar talloze websites leggen hem of haar de volgende gevleugelde woorden in de mond: "Oude kleren vallen haast niemand op als je een brede glimlach draagt." Een beetje melig, maar kom. En blijkbaar geldt het ook voor nieuwe kleren.
Reageer op deze aflevering


Is dit je eerste bezoek aan de Heuvelstraat 37? Neem dan even de tijd om de site te verkennen en teken eventueel ook het Gastenboek. Tot de volgende keer!
(Reacties op de Nederlandse en Engelse versie zijn samengevoegd. Franse of Duitse reacties zijn welkom. Antwoorden doe ik soms in het Engels.)


Geraardsbergen, 5 februari 2011.
Laatst aangepast op 28 augustus 2016.