2.
Stacks Image 763
Stacks Image 777
Stacks Image 781
Handen omhoog! Dit is een overval!

Moke en Lieske, onze asielkatten, zijn allesbehalve geduchte jagers. Hun favoriete prooien zijn bromvliegen, waterjuffers en tegen de lamp gevlogen nachtvlinders. Op mooie lenteavonden plukt Moke al eens een meikever uit de lucht. Lieske vindt dat te lastig. Ze snapt ook niet wat haar broer in sprinkhanen ziet en legt zich volledig toe op de spitsmuizenjacht. Urenlang bewaakt ze geduldig een muizenhol om dan bliksemsnel toe te slaan. Nu ja, bliksemsnel. Je ziet wel eens een slak met betere reflexen. Het mag een wonder heten dat ze af en toe toch een muisje te pakken krijgt. Meestal een jonkie of een aftands exemplaar. In elk geval niet de Usain Bolt van zijn soort. De enige relatief grote prooien waaraan broer noch zus kunnen weerstaan, zijn kikkers. Die brengen ze dan, zoals het welopgevoede poezen betaamt, levend en wel keurig naar huis. In de keuken, de woonkamer en op het
overdekte terras bij de vijver stuiten we dan ook geregeld op zo'n in het nauw gedreven boerennachtegaal. Het gaat altijd om een bruine kikker en we treffen het arme beest steevast in dezelfde vreemde houding aan: roerloos, plat op de buik, met opgeheven voorpoten. Soms houdt hij zijn 'handen' voor zijn ogen, zoals een bakvis in de bioscoop tijdens een gruwelscène van A Nightmare on Elm Street. Herpetologen noemen deze houding de unkenreflex, naar het Duitse woord voor Bombina, een geslacht uit de familie van de vuurbuikpadden. Als ze zich
Stacks Image 814

Deze bruine kikker demonstreert voor de camera een gedeeltelijke unkenreflex.

bedreigd voelen, krommen deze padden hun voorpoten boven hun kop, in de hoop dat de felle kleuren van hun keel en buik hun belager afschrikken. Dit verdedigingsmechanisme komt bij heel veel soorten padden, kikkers en salamanders voor en schijnt behoorlijk doeltreffend te zijn. Toch is het merkwaardig dat ook de bruine kikker een gelijkaardig gedrag vertoont. Hij heeft immers helemaal geen schrikkleuren en doet dan ook geen enkele poging om zijn keel of buik te flashen. Herpetologen spreken daarom van een gedeeltelijke unkenreflex. Onze asielkatten staan erbij en kijken ernaar. Het is duidelijk dat ze het zaakje niet vertrouwen. Uitstel van executie? Geen idee, want we zijn er altijd snel genoeg bij om de kikker uit zijn penibele situatie te bevrijden. Gedeeltelijk of niet, de unkenreflex redt zijn hachje.
Hoeveel poten heeft een spin?

In elk geval te veel, vindt mijn vrouw, samen met miljoenen andere in min of meerdere mate arachnafobe medemensen. Het is een klassieke vraag waarop zelfs heel wat kleuters het antwoord weten. Maar stel de vraag aan volwassenen en je kunt er donder op zeggen dat minstens een kwart geen flauw idee heeft. Vreemd, want spinnen zitten echt overal en hun ledematen zijn doorgaans hun meest opvallende lichaamsdelen. Blijkbaar is de
Stacks Image 845

Is er een spindoctor in de zaal?

angst voor spinnen zo groot dat heel wat mensen ze simpelweg niet eens goed durven te bekijken. Zelfs een foto jaagt ze al de stuipen op het lijf. Evolutionair psychologen kunnen dit verschijnsel zonder de minste twijfel perfect verklaren. Fijn, maar daar schieten de volstrekt onschadelijke huis-, tuin- en keukenspinnen in onze contreien niets mee op. Ze worden massaal opgezogen, platgetrapt, doodgemept en naar de eeuwige jachtvelden geraagd. Twee poten vinden we ideaal. Vier poten doen ons vertederd aan een ukkepuk in een kruippakje denken. Zes poten zijn er al twee te veel, maar we willen niet moeilijk doen. Zo geborneerd zijn we nu ook weer niet. Maar acht? Nee, dat is erover. Dat getuigt van een aperte impertinentie. De brutaliteit! Dus grijpen we naar de ragebol, de stofzuiger, de vliegenmepper of onze koelbloedige, voor geen kleintje vervaarde wederhelft. Hoe imponeer je een arachnafobe jongedame met een lidkaart van het
Wereldnatuurfonds? Door de huisspin in haar badkamer met blote handen voorzichtig van de tegelwand te plukken en vervolgens vrij te laten in de tuin. Uiteraard vertel je er dan niet bij dat het beest buiten geen schijn van kans heeft en wellicht binnen de kortste keren in de maag van een pimpelmees of een andere spinneneter belandt. Hoe dan ook, als ik in de zomer van 2010 bij de vijver een wespenspin met slechts vijf poten ontdek, realiseer ik me opnieuw hoe karig wij viervoeters wel bedeeld zijn. We komen er bekaaid van af. Mevrouw Vijfpoot mist drie ledematen, maar vindt dat helemaal niet erg. Ze is, zo blijkt al snel, allesbehalve een zielenpoot.
Oud en versleten…

Snij drie kwart van een mensenlever weg en het orgaan begint spontaan te groeien tot het opnieuw zijn normale omvang bereikt. Het regeneratieve vermogen van de meeste andere menselijke organen stelt helaas weinig of niets voor. Dat geldt ook voor onze ledematen. Hak iemand een arm af en hij is die definitief kwijt. Zelfs een hectoliter Lourdeswater brengt geen beterschap. Kwaadaardige gezwellen smelten op wonderbaarlijke wijze weg, maar geamputeerde ledematen groeien nooit weer aan. Een verloren vingertopje wil nog wel eens regenereren,
maar dan alleen bij hele jonge kinderen. Een tiener kan het al schudden. In de pers – ooit bevolkt door journalisten, maar heden ten dage blijkbaar vooral door baardeloze minkukels die van een scheet in een netje een alpenhoornconcert maken – duiken regelmatig berichten op over varkensblaasextracten en andere panaceeën die de regeneratie van vingerkootjes en overige extremiteiten zouden stimuleren. Bullshit, uiteraard, maar we willen het o zo graag geloven. Hoe merk je dat je ouder wordt? Doordat de naam van niet één van de geniale groepen op de line-up van Rock Werchter je nog iets zegt én doordat je vaststelt dat brand-, schaaf- en snijwonden veel minder snel herstellen. Ik was amper achttien toen het me voor het eerst opviel dat mijn lichaam er veel langer over deed om oppervlakkige verwondingen te repareren. Ruim dertig jaar later neemt het herstel vaak maanden in beslag. Dat belooft! Intussen put ik troost uit de gedachte
Stacks Image 884

Potige dame pakt juffer in.

dat zelfs het veelgeprezen regeneratievermogen van de meeste spinnen het bij volwassen exemplaren laat afweten. Mevrouw Vijfpoot is oud en versleten. Ze zal nooit meer vervellen en het de rest van haar korte leven met vijf poten moeten stellen. Gelukkig volstaat dat om een volmaakt web te weven en prooien te vangen. Twee dagen na de waterjuffer zit er een veldsprinkhaan in het web. Ook die wordt meteen piekfijn verpakt. Mevrouw Vijfpoot weet van wanten.
Wie van de vijf?

Altijd leuk om in de tuin een nieuwe soort te ontdekken. Op 28 juli 2010 tref ik op een blad van een vijverplant dit mooie vlindertje aan. De tekening op de vleugels is zo opvallend dat ik ervan overtuigd ben dat ik het beestje makkelijk zal kunnen determineren. Valt dat even tegen! Ik kom er snel achter dat het om een spinsel- of stippelmot uit het geslacht Yponomeuta gaat. Wereldwijd telt dit geslacht ruim honderd soorten, maar in België en
Stacks Image 915

Een vogelkersstippelmot? Zou kunnen, maar het kan ook één van de vier andere vliegende dalmatiërs uit onze contreien zijn.

Nederland komen, naargelang de bron, slechts acht of negen soorten voor. Het probleem is dat ze zo goed op elkaar lijken dat ze met het blote oog vaak niet met zekerheid van elkaar te onderscheiden zijn. Van de acht soorten op Microlepidoptera.nl kan ik er niettemin meteen drie uitsluiten: de waasjes-, de grootvlek- en de hemelsleutelstippelmot. Nog vijf te gaan! De appel- en de wilgenstippelmot zouden zelfs door specialisten niet in het veld te determineren zijn. Maar ook de kardinaalsmuts-, de meidoorn- en de vogelkersstippelmot vertonen zoveel gelijkenis dat ik niet één ervan kan uitsluiten. Per slot van rekening ben ik maar een dilettant. Ook het favoriete voedsel van de kieskeurige rupsen waaraan de vlindertjes hun soortnaam danken, helpt me geen stap verder. Vier van de vijf waardplanten komen immers in de tuin voor. Alleen de schietwilg ontbreekt, maar die groeit dan weer in het weiland aan de overkant van de Heuvelstraat. Een hopeloze zaak? Ik vrees van wel, maar
ben toch in mijn nopjes met mijn allereerste stippelmotje. Bovendien weet ik nu waarop ik moet letten. Ik kijk uit naar een nieuwe ontmoeting met één van deze kwestieuze vliegende dalmatiërs en neem me voor om alvast het exemplaar bij de vijver nader te bekijken. Maar, zoals Woody Allen al zei: "Als je God aan het lachen wilt maken, vertel hem dan over je toekomstplannen."
Zou de eerste echt de laatste zijn?

Gewapend met mijn pas verworven kennis over de spinselmotten van het geslacht Yponomeuta trek ik opnieuw de tuin in. Maar de vogel is gevlogen. Dan zie ik, vlakbij de vijverplant waarop de stippelmot in kwestie zat, een waterjuffer met een relatief grote prooi. Het zal toch niet waar zijn? Met de camera in de aanslag sluip ik dichterbij. Net vóór ik afdruk bijt de juffer de witte vleugels van het motje af. Ik durf er geen eed op te doen – ooggetuigen zijn zelden betrouwbaar en al helemaal niet als ze betrokken partij zijn – maar ik ben ervan overtuigd dat ik de metamorfose van een stippelmot tot lunchpakket aanschouw. Ik ben er het hart van in, ook al besef ik dat ik die
helleveeg van een tengere grasjuffer in feite dankbaar zou moeten zijn. Hoe schattig die dotten van motten ook mogen wezen, hun vraatzuchtige rupsen hebben een kwalijke reputatie. In het voorjaar duiken ze hier en daar massaal op. Ze vreten hun waardplant kaal en pakken met het taaie spinsel waaraan de vlinders hun familienaam danken hele bomen en zelfs auto's in. Kwaad kan dat niet, maar het is geen gezicht. De waardplant sterft niet af, maar loopt gewoon weer uit. Palmen de rupsen een fruitboom in, dan valt de oogst uiteraard wel tegen. Geen wonder dus dat
Stacks Image 954

Net vóór deze tengere grasjuffer de vleugels van haar prooi afbijt, meen ik nog wat bezwarende stippels te bespeuren.

professionele fruittelers soorten als de appelstippelmot met alle mogelijke, gelukkig meestal relatief onschadelijke of zelfs biologische middelen bestrijden. In mijn tuin heb ik er geen last van. Zijn deze nachtvlindertjes hier zeldzaam of houden de mezen die in de tuin leven en broeden de rupsenpopulaties onder controle? Misschien vangen de vleermuizen die 's avonds en 's nachts over de boomgaard scheren een groot deel van de motjes weg. Feit is dat ik hier nog nooit een spinselnest vol rupsen zag en dat mijn eerste waarneming van een stippelmot meteen ook de laatste was*. Jammer, want onderzoek van de Nederlandse bioloog Peter Roessingh toont aan dat het best wel interessante beestjes zijn die ons heel wat over de evolutie van soorten kunnen leren. Kijk maar eens hier.

* In de zomer van 2013 zat een meidoornstruik achterin de tuin vol rupsen van het doornspinnertje. Het jaar daarop, eind mei, ontdekte en verwijderde ik enkele spinselnesten vol rupsen van de appelstippelmot in één van onze appelbomen.
Eros en Thanatos

Liefde en dood. Het zou de titel van een Russische turf vol geëxalteerde Ivanova's en getormenteerde Ivanovitsjen kunnen zijn. Pyramus en Thisbe, Tristan en Isolde, Romeo en Julia: is het niet vreemd dat uitgerekend deze niet al te snuggere, volstrekt onervaren en vaak hinderlijk larmoyante pubers uitgroeiden tot iconen van de Liefde met een grote L? Per slot van rekening mondt hun allesverzengende passie alras uit in een huiveringwekkend drama met een tragische ontknoping. Wat is er zo romantisch aan prematuur en volslagen redeloos in elkaars armen sterven? Stel je voor dat de Montagues en de Capulets de strijdbijl tijdig begraven. Romeo en Julia worden
Stacks Image 985

For never was a story of more woe / Than this of Juliet and her Romeo.
(William Shakespeare)

plechtstatig in de echt verbonden, krijgen kinderen en leven nog lang en niet al te ongelukkig. Als Romeo een serenade aanheft, is dat onder het balkon van zijn twintig jaar jongere maîtresse. Julia zoekt en vindt troost in de armen van haar biechtvader, het bed van Romeo's beste vriend en liters amaretto. Daar zit vast een roman in. Liefde drijft niet alleen mensen tot waanzin, maar zet ook talloze andere dieren tot energieverslindend, ietwat ridicuul en riskant gedrag aan. Neem nu die merkwaardige, soms opvallend hartvormige paringswielen van verschillende soorten
waterjuffers. Vertederend? Niet als je weet dat het eigenlijk om een vaak urenlange verkrachting gaat. De mannetjes beschikken zelfs over een soort borsteltje om het sperma van de vorige seksdelinquent weg te vegen. Uiteraard is zo'n paringswiel erg kwetsbaar. Vliegen lukt niet al te best en vóór je het weet raak je met z'n tweetjes verstrikt in het web van een meedogenloze kruisspin. Precies wat de tengere grasjuffers op de foto overkwam. Het mannetje is al dood. Het vrouwtje spartelt nog tegen en probeert te ontkomen. Tevergeefs. Vijf minuten later sleurt de spin het stevig verpakte duo naar haar rovershol. Een appeltje voor de dorst.
Pleidooi voor het Rode Kristal

De witte halvemaanzweefvlieg is één van de minder lastig te determineren vliegen in de tuin. Je kunt de soort eigenlijk alleen verwarren met de gele halvemaanzweefvlieg en een stuk of wat kommazwevers. Het hoeft geen betoog dat de Nederlandse naam van Scaeva pyrastri naar de zes witte motieven op het zwarte achterlijf verwijst. Toch vind ik die naam maar niks. Ook al omschrijft Van Dale de halvemaan als een "sikkelvormige schijngestalte", voor mij is het pas halvemaan als ik zowat de helft van een vollemaan en dus een kwart van het Maanoppervlak zie. Lijkt me logisch. De motieven op het achterlijf van dit vliegje doen me echter eerder aan sommige maandverbanden en pantiliners denken dan aan de Maan in het eerste of laatste kwartier. Nee, ik pleit er niet voor om de soort voortaan de witte inlegkruisjeszweefvlieg te noemen. Maar de witte sikkelzweefvlieg was toch wel beter geweest. Om precies dezelfde reden zit het me dwars dat de islamitische tegenhanger van het Rode Kruis in het Nederlands de Rode Halvemaan heet. Het kruis is een kruis, maar de halvemaan is geen halvemaan. Het is een asgrauwe maan of een jonge maansikkel, afhankelijk van het feit of je vanaf het noordelijk of het zuidelijk halfrond naar dit hemellichaam kijkt. Het is me dan ook een raadsel waarom de organisatie in het Nederlands niet gewoon de Rode Sikkel, Maansikkel of zelfs Sikkelmaan heet. Omdat de combinatie rood en sikkel te veel aan de
gekruiste hamer en sikkel van het communisme doet denken? Zou kunnen. Dit symbool duikt voor het eerst in 1917 op, terwijl het embleem van de Rode Halvemaan pas in 1929 officieel wordt erkend. Dat is wel ruim vijftig jaar na de Russisch-Turkse oorlog van 1877-78 waarin het zijn entree maakt en zesenzestig jaar na de oprichting van het Internationale Rode Kruis in Genève. Het kruis staat voor de Ottomanen symbool voor het christendom. Bovendien doet een rood kruis op een witte achtergrond wel heel sterk aan de wapenrokken van de tempeliers en andere kruisvaarders denken. Henri Dunant, die voor zijn initiatief in 1901 de allereerste Nobelprijs voor de Vrede krijgt, houdt bij hoog en laag vol dat hij gewoon de kleuren van de nationale vlag van zijn geboorteland omkeerde. Al in 1815 erkennen de Europese grootmachten de eeuwige neutraliteit van Zwitserland. Voor een land waar elke veldheer – met uitzondering van een handvol megalomanen als Hannibal, Karel de
Stacks Image 1024

De witte halvemaanzweefvlieg dankt zijn naam aan de motieven op het achterlijf. Ten onrechte, vind ik.

Grote en Napoleon Bonaparte – in een wijde boog omheen trekt, valt dit statuut zonder al te veel moeite te handhaven. Met de keuze van een omgekeerde Zwitserse vlag als embleem onderstreept de organisatie naar eigen zeggen de neutraliteit van het Rode Kruis. De Turken trappen er niet in en keren dan maar de kleuren van hun eigen nationale vlag om, weliswaar met weglating van de ster. Goed idee, vinden de Perzen, maar aangezien ze de Turken niet kunnen luchten, kiezen ze voor de rode leeuw en zon. Ook dit symbool – dat je overigens niet in een handomdraai op het tentzeil van een veldhospitaal of een legerambulance schildert – wordt in 1929 officieel erkend. Toen waren ze al met drie. Nog eentje en ze kunnen kaarten! Het scheelt geen haar of het gezelschap wordt in 1949 aangevuld met het embleem van Magen David Adom, de Israëlische hulporganisatie. Door de rode davidster te verwerpen – evenals de rode swastika, de rode neushoorn, de rode vlam, het rode lam en alle andere nieuwe kandidaten –, geeft de organisatie impliciet toe dat de oorspronkelijke keuze voor een rood kruis een marketingblunder was. Zo'n blunder komt, net als een ongeluk, nooit alleen.

Na de officiële erkenning van de rode halvemaan en de rode leeuw en zon (die het Iran van de ayatollahs in 1980 inruilt voor de rode halvemaan), beschikt de organisatie over geen enkel zinnig argument meer om de rode davidster en alle andere, al dan niet religieus of nationalistisch getinte emblemen te verwerpen. Dat Magen David Adom niet mag toetreden tot de
Internationale Rode Kruis en Rode Halvemaanbeweging is zonder meer
Stacks Image 1040
discriminatie. Om de synagoge, de moskee en de kerk in het midden te houden, sluit de organisatie ook de Palestijnse Rode Halvemaan uit. Kwestie van het ene onrecht met een ander te compenseren. Onder druk van de Verenigde Staten – het Amerikaanse Rode Kruis houdt ruim 40 miljoen dollar aan bijdragen achter – zoekt de organisatie een uitweg uit de impasse. Eind 2005 wordt een nieuw, volstrekt neutraal en door niemand geclaimd embleem voorgesteld: het rode kristal, in het Nederlands ook wel de rode ruit of diamand genoemd. Het gaat om een rood vierkant op een witte achtergrond dat op één van zijn vier hoeken rust, eventueel aangevuld met een erkend nationaal embleem binnen de omtrek ervan. Een jaar later wordt Magen David Adom, samen met de Palestijnse Rode Halvemaan, volwaardig lid. In Israël mag de organisatie de rode davidster gebruiken. Bij buitenlandse missies moeten ze, net als alle andere leden, één van de vier internationaal erkende emblemen voeren: het rode kruis, de rode halvemaan, de rode leeuw en zon of het rode kristal. Probleem opgelost? Niet echt. Ruim vijf jaar na de officiële erkenning van het rode kristal is het nieuwe embleem nog altijd een nobele onbekende. Geen wonder, want het is ongeveer zo courant als een ijsbeer op de Zuidpool. Je krijgt het zo goed als nooit te zien. Als ondernemingen een nieuw bedrijfslogo lanceren, schaffen ze het oude af en investeren ze volop in de communicatie, de zichtbaarheid, de herkenning en het prestige ervan. Maar het rode kristal wordt niet gepromoot. Erger nog: de drie oude emblemen, waarvan één al ruim dertig jaar heeft afgedaan, blijven gewoon behouden. Duikt in een conflictgebied bij hoge uitzondering toch een rood kristal op, dan kan ik me levendig voorstellen dat de strijdende partijen het als schietschijf gebruiken. Natuurlijk zijn het Rode Kruis en de Rode Halvemaan sterke merken waarvan je het logo best niet van de ene op de andere dag afschaft. Maar wat belet je om ze voortaan alleen nog binnen het rode kristal af te beelden? Zo went iedereen alvast aan het nieuwe embleem. Het is dan buitengewoon zichtbaar, alomtegenwoordig en bevestigt zowel de neutraliteit als de eenheid van de organisatie. Na verloop van tijd spreekt niemand nog over het Rode Kruis of de Rode Halvemaan, maar alleen nog over het Rode Kristal. De Internationale Rode Kruis en Rode Halvemaanbeweging wordt de Internationale Rode Kristalbeweging. Bekt beter en stuit joden, hindoes, boeddhisten, animisten, sikhs, jaïnisten, zoroastrianen en
overige aanhangers van de één of andere christelijke noch islamitische waan niet tegen de borst. Zelfs pastafarianen en atheïsten hebben er vrede mee. Helaas pindakaas. Het bekende adagium ten spijt, is afbreken vaak moeilijker dan opbouwen. In plaats van de eurocentrische blunder van haar stichter eens en voor altijd recht te zetten, kiest de organisatie voor een nieuwe verdieping bovenop een al wankele constructie. Vroeg of laat stort de boel in, want de fundering deugt niet. Maar misschien is het nog niet te laat. Misschien moeten de regionale en lokale afdelingen van kleine, democratische en pluralistische landen als België en Nederland het goede voorbeeld geven en consequent overschakelen op het rode kristal. Misschien volgt de rest van de wereld dan wel. Naïef? Idealistisch? Wereldvreemd? Utopisch? Benieuwd hoe vaak Henri Dunant dat te horen kreeg…
Slakken zijn schijterds!

Net zoals de gewone tuinslak leidt ook de witgerande tuinslak een verborgen leven. Voor een dier dat op het menu van talloze soorten staat en zich niet bepaald snel uit de voeten kan maken, is dat wellicht een verstandige keuze. Toch kom ik in de tuin geregeld zo'n huisjesslak tegen, vooral in de winter of tijdens een uitzonderlijk droge periode. Dan zitten ze vastgelijmd aan een tak, een muur of de onderkant van een stevig blad, in afwachting van warmere of nattere tijden. Leuk, maar het levert zelden of nooit een interessant plaatje op. Slakken zijn best fotogeniek, maar alleen in volle actie. De tuinslak op de foto tref ik aan tussen de hoge bladeren van mierik, de vrijwel onuitroeibare plant met de culinair onvolprezen witte penwortels. Het is er warm, vochtig en donker. Ideaal voor een slak, maar niet voor een fotograaf. Als ik het beestje van een blad pluk, kruipt het meteen in zijn schulp. Ik leg het huisje op de houten rand van een verhoogde border en wacht geduldig af. Het is een experiment. Zodra de
Stacks Image 1072

De witgerande tuinslak laat zich niet op zijn kop schijten. Dat doet-ie zelf wel!

kop tevoorschijn komt, geef ik mijn proefkonijn een tik. En dan gebeurt het: de slak poept! Mijn experiment bevestigt eerdere waarnemingen en mijn vermoeden dat tuinslakken bange schijterds zijn. Als ze zich bedreigd voelen, laten ze alles lopen. Nu zijn er wel meer soorten die in geval van nood allerlei viezigheid produceren. Stinkdieren, uiteraard, maar ook verschillende soorten wantsen en andere insecten. Ook mensen doen het soms in hun broek van de schrik. Het is heus niet uit baldadigheid dat een inbreker op de plaats delict zo vaak
een grote boodschap vol belastend DNA-materiaal achterlaat. De schurk is een broekschijter, althans in Vlaanderen. In Nederland is hij meestal een schijtebroek. Of een kakkebroek. Vlamingen zijn nooit kakkebroeken, maar ze kunnen wel een kakkebroek hebben, vooral in hun eerste en laatste levensjaren. Die poepluier wordt dan verschoond door mama, papa of de bejaardenhelpster met Afrikaanse roots. Als je de staart buiten beschouwing laat, bevindt de aars van de meeste zoogdieren zich helemaal achteraan. De afstand tussen mond en kont is maximaal. Mensen zijn minder goed ontworpen. Onze anus zit zowat halverwege. Maar het kan nog erger: de anale opening van de tuinslak zit op zijn rug en wijst bovendien de verkeerde kant op. Hij poept op zijn kop. Wansmakelijk? Weerzinwekkend? Valt best mee, al kun je er bij het nuttigen van een dozijn escargots à la bourguignonne maar beter niet aan denken.
Reageer op deze aflevering


Is dit je eerste bezoek aan de Heuvelstraat 37? Neem dan even de tijd om de site te verkennen en teken eventueel ook het Gastenboek. Tot de volgende keer!
(Reacties op de Nederlandse en Engelse versie zijn samengevoegd. Franse of Duitse reacties zijn welkom. Antwoorden doe ik soms in het Engels.)


Geraardsbergen, 21 juli 2011.
Laatst aangepast op 18 oktober 2016.