3.
Stacks Image 1127
Stacks Image 1141
Stacks Image 1145
Ol' blue eyes

Er zijn mensen die vlinders angstaanjagend vinden. Ze hebben een vlinderfobie. Toch zijn ze vaak helemaal niet bang voor witjes, blauwtjes, zandoogjes en andere zogenaamde dagvlinders. Die vinden ze juist schattig. Vlinders in de buik? Heerlijk! Licht, liefde en lust. Maar motten in de maag? Jakkes! Grauw, gruwel en grief. Dagvlinders fladderen sereen van bloem tot bloem. Nachtvlinders ritselen nerveus van lamp tot lamp. We 'motten' ze niet. We
Stacks Image 1174

Blauwooggrasmot: de Frank Sinatra of Paul Newman van de microvlinders.

associëren ze met vleermuizen, vampiers en andere, al dan niet aan onze oververhitte verbeelding ontsproten nachtcreaturen. Ze steken of bijten niet, maar ik zou de mensen die ervan overtuigd zijn dat ze dat wel doen niet graag de kost geven. Terwijl sommigen alle nachtvlinders motten noemen, reserveren anderen die term voor kleine, meestal onopvallende vlindertjes, zoals de grasmotten (Crambidae). In België en Nederland omvat die familie een honderdtal soorten. Stap 's zomers gewoon door wat hoger gras en je ziet voor je voeten altijd wel witte, grijze,
beige of bruine motjes opvliegen. Ze landen dan een metertje verder op een spriet of een stengel, vaak met de kop naar beneden. Veel soorten lijken zo goed op elkaar dat ze op basis van een foto vaak niet of nauwelijks te determineren zijn. Dat geldt niet voor Agriphila straminella, een dot van een mot met prachtige, diepblauwe ogen. Een weggever! Zijn er echt mensen die hiervoor gillend op de vlucht slaan?
Zwaar klote, die poten!

Bij nader toezien lijkt een mens meer op een ezel dan een hooiwagen op een spin. Niettemin hebben arachnofoben ongetwijfeld vaker een afschuw van hooiwagens dan dat misantropen een hekel aan ezels hebben. Het zit 'm vooral in het aantal poten: net als spinnen hebben hooiwagens er vier aan elke kant. Bij een spin zitten die aan een duidelijk van het achterlijf gescheiden kopborststuk. Niet zo bij hooiwagens. Die hebben meer weg van een eitje op poten. Er zit kop noch staart aan. Ook gif- en spinklieren ontbreken. Hooiwagens zijn dus niet giftig en
bouwen geen web. Anders dan de meeste spinnen hebben ze ook geen drie of vier paar ogen. Eén vinden ze ruim voldoende. Hooiwagens tref je zelden of nooit binnenshuis aan. Lijkt er toch één over het plafond te lopen, dan betreft het meer dan waarschijnlijk een trilspin. De orde van de hooiwagens (Opiliones) telt wereldwijd ruim drieduizend soorten, maar amper een dertigtal daarvan komt ook in onze contreien voor. De meeste hebben extreem lange, flinterdunne poten en zijn daardoor een ware nachtmerrie voor macrofotografen. Neem, bijvoorbeeld, Phalangium
Stacks Image 1213

Een gewone hooiwagen in de moestuin. Het ogenschijnlijk stekelige blad is dat van niet tijdig geoogste snijandijvie.

opilio of de gewone hooiwagen. Volwassen exemplaren van die warmteminnende soort duiken elke zomer in zowat elke tuin op en zijn er meestal nog tot laat in het najaar te zien. Vaak zitten ze roerloos op een blad of een muur te zonnen. Ideaal voor een portret? Niet echt, want het levert zelden of nooit een boeiende plaat op. Je wacht best tot ze in actie schieten. Maar dan zorgt vooral het buitenproportioneel lange tweede paar poten voor problemen. Veel erger nog dan de voelsprieten van sabelsprinkhanen of de poten van langpootmuggen. Meestal zit er niets anders op dan de ledematen van je model vakkundig maar beenhard te amputeren. Figuurlijk, uiteraard. Meer informatie en een hoop knappe foto's van inheemse hooiwagens met een handicap vind je op deze pagina van de site van Jan van Duinen.
Harlekijn springt in het oog

Sinds 2005 verkiest de Belgische Arachnologische Vereniging ARABEL jaarlijks een inheemse spin tot Spin van het Jaar. Die eer viel toen te beurt aan de huiszebraspin of harlekijn. Een terechte keuze, want dit springspinnetje is beslist één van de leukste vertegenwoordigers van een veelgeplaagde, impopulaire orde. Bovendien jaagt het beestje het liefst op zonovergoten buitenmuren, zodat je het echt overal aantreft, zelfs in de meest dichtbebouwde
Stacks Image 1244

Onversaagd kijkt de huiszebraspin recht in de lens.

steden van de Lage Landen. Ze zijn niet veel groter dan een halve centimeter maar vallen meestal toch snel op. Enerzijds door de springerige manier waarop ze zich voortbewegen, anderzijds door het zwart-witte patroon op hun achterlijf waaraan ze hun naam danken. De huiszebraspin bouwt geen web maar maakt actief jacht op insecten en andere spinnen. Ze jagen op het zicht en besluipen hun prooi als een kat. Zodra die binnen springbereik is, hechten ze zich met een spindraad vast aan het oppervlak waarop ze jagen – better safe than sorry! – en slaan toe met een snelheid van zowat 75 cm per seconde. Behoorlijk indrukwekkend, want al gaat het omgerekend om amper 2,7 km per uur, op harlekijnschaal is dat bliksemsnel. Om de afstand tot zijn prooi perfect in te schatten, beschikt de huiszebraspin over een uitstekend dieptezicht en vier paar ogen. Twee daarvan zijn op de foto te zien, maar vooral het voorste paar valt op. Wat een kijkers! Anders dan de meeste dieren,
inclusief het leeuwendeel van de spinnen, hebben huiszebraspinnen absoluut geen camera-angst. Integendeel: ze huppen stoutmoedig dichterbij en spiegelen nauwkeurig elke beweging van het objectief, zodat ze haast altijd recht in de lens kijken. Naar verluidt kun je ze met een pincet bladluizen of fruitvliegjes voeren. Ik ben geneigd het te geloven, maar heb het nog niet geprobeerd. Zou mijn teerbeminde echtgenote haar epileerpincet in haar toilettas bewaren?
Zoek de cijfers!

Wetenschappelijke namen zijn handig maar zelden echt mooi. Vaak zijn ze zelfs nauwelijks uit te spreken. Dat ligt niet aan het gebrek aan inspiratie of fantasie van de taxonomen – in zekere zin toch zowat de boekhouders van de biologie – maar aan het ontzettend grote aantal soorten en de eis dat ze allemaal een unieke naam moeten hebben. Dat geldt zelfs voor soorten die al miljoenen jaren geleden zijn uitgestorven, zodat je al snel eindigt met
wangedrochten als Lagosuchus talampayensis of Australopithecus bahrelghazali. Indien de regels voor mensennamen even streng waren, dan heette ik nu Pavo gabrielispocolocopus of iets dergelijks. Een uitzondering die de regel bevestigt is Vanessa atalanta, een naam die klinkt als een klok en haast net zo mooi is als de drager ervan. Kijk, daar kun je mee uitpakken! Geen wonder dus dat we deze prachtige trekvlinder nu ook in het Nederlands gewoon met zijn wetenschappelijke voornaam aanspreken. Hier en daar gewaagd een barbaar nog wel eens schaamteloos van de admiraalvlinder, maar elke link tussen de sierlijke atalanta en plompe oorlogsbodems stuit de weldenkende vlinderaar volkomen terecht tegen de adelborst. Niettemin leerde ik de atalanta als kind, toen de soort nog elke zomer zowat overal in groten getale te zien was, onder een heel andere naam kennen. We noemden hem een nummervlinder. Kijk eens goed naar de foto en wellicht ontdek je waaraan de
Stacks Image 1283

Niet mijn beste foto van een atalanta, maar wel één waarop vrij goed te zien is waarom deze wijsneus ook wel een nummervlinder wordt genoemd.

atalanta die toch wel uiterst prozaïsche, nog altijd in verschillende talen gangbare naam te danken heeft. Zie je de 8? De 3? De 98 of 18? Ik wel, maar terwijl ze me als kind meteen opvielen, moet ik er nu toch echt wel naar zoeken. Ligt het aan mijn tanende ogen of aan mijn kwijnende fantasie? Beide, vrees ik. Overigens was Atalanta een beeldschone, door haar vader verstoten en door een berin gezoogde prinses uit de Griekse mythologie die in elk opzicht haar mannetje kon staan. Een dame naar mijn hart.
Vanavond niet, schat. Ik heb hoofdpijn…

In het wild brengen macrofotografen, een invasieve soort die volop profiteert van de digitale revolutie en waartoe ik sedert enkele jaren ook mezelf reken, een groot deel van hun leven plat op de buik door. Niet meteen de meest comfortabele houding, zeker niet op een keiharde ondergrond. Of het nu een mannelijk of vrouwelijk exemplaar betreft, er zit altijd wel een primair of secundair geslachtskenmerk hinderlijk in de weg. Meestal steunen ze op hun
Stacks Image 1314

Paringsrad van de bruinrode heidelibel. Het vrouwtje pikt met haar achterlijfspunt een spermapakketje uit het secundair geslachtsorgaan van haar partner op.

ellebogen, maar soms is hun model letterlijk zo laag-bij-de-gronds dat er niets anders op zit dan de camera op de bodem te laten rusten. Ideaal voor foto's met een wat langere sluitertijd en een grotere scherptediepte. Alleen maakt dit het wel erg lastig om nog door de zoeker te kijken, te kadreren en te focussen. Bijdetijdse fotografen lossen dit op met een hoekzoeker of een recente camera met live view en een uitklapbaar display. Ik beschik, helaas, over geen van beide. Deze foto van het paringsrad van de bruinrode heidelibel op de ruwe tegels van het vijverterras leverde me dan ook een licht
beschadigde neus op. Ach, je moet er iets voor over hebben. Je krijgt tenslotte niet elke dag de kans om dit fraaie tafereel van zo dichtbij zo scherp vast te leggen. Het paartje bleef minutenlang haast roerloos zitten om vervolgens in tandem over de vijver te scheren. Over scheren gesproken: indien mevrouw een hangsnor had gehad, was ze geen bruinrode maar een steenrode heidelibel geweest. Beide vaak nauwelijks van elkaar te onderscheiden soorten zijn in de tuin goed vertegenwoordigd en planten zich hier sinds de aanleg van de vijver ook elk jaar driftig voort.
Hoe tammer, hoe dommer

Om te weten wat goed voor ze is, hebben wilde dieren wetenschappers, artsen noch diëtisten nodig. Huisdieren zijn niet zo slim. Op de zeedijk strompelen honderden moddervette honden, opvallend vaak in het spoor van een al even obees baasje. Over de toendra zwerf niet één volslanke wolf. Als je in gevangenschap gefokte wilde dieren op tamheid selecteert, krimpen hun hersens naarmate hun aanhankelijkheid toeneemt. Je kunt honden kunstjes leren, maar wolven hebben een veel grotere herseninhoud en zijn beduidend intelligenter dan hun tamme, gedegenereerde afstammelingen. Hoe tammer, hoe dommer. Bij zoogdieren werd die vuistregel al talloze keren bevestigd. Het zou me echter niet verbazen indien zou blijken dat hij ook van toepassing is op alle andere soorten met een redelijk ontwikkeld brein, zoals octopussen of vogels. Met kop is een kip haast net zo dom als zonder. Misschien hangt één en ander samen met de energiehuishouding. Hersens zijn echte stroomvreters. Je hebt er
dus best niet meer van onder je schedeldak dan strikt noodzakelijk is. Wilde dieren zijn volledig op zichzelf aangewezen en kunnen dus wel wat brainpower gebruiken. Huisdieren, daarentegen, delegeren. Ze staan een deel van de taken van de hersens van hun wilde voorouders af aan die van hun baasje en komen daardoor zelf met minder toe. Jagen? Dat doet het vrouwtje wel in de supermarkt. Dorst? Even hijgen of miauwen en baasje zorgt meteen voor een bakje water of een schoteltje melk. Tochtig? Gewoon wat harder loeien en daar komt de boer al aandraven met een knappe
Stacks Image 1353

De larven van Sepedon sphegea voeden zich met zoetwaterslakken en hun eitjes. De volwassen vlieg volgt een strikt vegetarisch dieet.

stier of – je kan niet alles hebben – een pas ontdooid spermarietje. Ondanks hun beperkte mentale capaciteiten lijken huisdieren hun zaakjes prima voor elkaar te hebben. Maar dat is een illusie. Als ze al niet worden vetgemest om als biefstuk te eindigen, worden ze dat wel omdat hun baasje er geen flauw idee van heeft wat goed voor ze is. Hij of zij is immers ook maar een gedomesticeerd dier dat amper voor zichzelf kan zorgen en in het wild geen schijn van kans heeft. Zonder wetenschappers, artsen en diëtisten is Homo sapiens reddeloos verloren en kunnen ook zijn huisdieren het wel schudden. Baasje krijgt een maagring, beestje krijgt dieetvoer. De larven van Sepedon sphegea weten duidelijk wel wat goed voor ze is: waterslakken en hun eitjes. Dat hoeft niemand ze te vertellen. Volwassen exemplaren van deze slakkendoder leven dan weer van nectar en plantensappen. Precies wat ze nodig hebben. In België en Nederland komen bijna zestig soorten slakkendoders voor, maar de enige andere soort die ik in de tuin al aantrof is Tetanocera elata. De larven van deze vlieg leven niet in het water en voeden zich uitsluitend met naaktslakken. De soort is dan ook in elke tuin meer dan welkom.
Reageer op deze aflevering


Is dit je eerste bezoek aan de Heuvelstraat 37? Neem dan even de tijd om de site te verkennen en teken eventueel ook het Gastenboek. Tot de volgende keer!
(Reacties op de Nederlandse en Engelse versie zijn samengevoegd. Franse of Duitse reacties zijn welkom. Antwoorden doe ik soms in het Engels.)


Geraardsbergen, 27 februari 2012.
Laatst aangepast op 27 februari 2012.