4.
Stacks Image 1404
Stacks Image 1418
Stacks Image 1422
Volg de pijlstaart

In België en Nederland komen, naargelang de bron, achttien of negentien soorten pijlstaarten voor. De vlinders danken hun familienaam aan een opvallend kenmerk van de meeste rupsen: een hoornachtige stekel op het achterste segment. Als op een mooie dag in augustus 2010 uit de vijverborder een grote, mij op het eerste gezicht onbekende rups het terras op kruipt, zie ik meteen dat het om de rups van een pijlstaart gaat. Ze lijkt sterk op de rups van de lindepijlstaart, maar die hoort eigenlijk groen te zijn. Na enig speurwerk op Vlindernet kom ik er
evenwel achter dat deze rupsen vlak voor de verpopping roze tot purperachtig bruin kleuren. Het plaatje klopt, want naast de vijver staat een grote zomerlinde, de favoriete waardplant van de soort. De rups zet koers naar de woning en probeert op de gladde, stenen dorpel van een schuifraam te klimmen. Dat lukt niet. Ik neem enkele foto's en zet het beestje dan in een andere border, vlakbij de westelijke muur van het huis. De rups klimt meteen de bakstenen op om even later tussen de takken van een klimroos te verdwijnen. Veilig en goed beschut tegen weer,
Stacks Image 1455

Deze rups van de lindepijlstaart is duidelijk geen groentje!

wind en de onverbiddelijke ragebol van de werkster. Als ik later op Vlindernet en andere sites wat extra informatie over de lindepijlstaart bijeensurf, blijkt dat de rupsen doorgaans als pop in de bodem overwinteren, meestal in de buurt van de waardplant. Toch worden soms ook poppen aangetroffen in tussen takken opgehoopt bladmateriaal of nestkastjes. Feit is dat de rups hierboven het duidelijk hogerop zoekt. De lindepijlstaart is een vrij grote, nachtactieve vlinder die geen voedsel kan opnemen. Hij denk alleen aan seks en is in wezen niets anders dan de manier waarop deze prachtige, vraatzuchtige rups zich voortplant.
Phyllobius of Polydrusus?

Phyllobius is een geslacht uit de zelfs naar kevernormen buitengewoon grote familie van de snuitkevers (Curculionidae). In het Nederlands worden kevers van dit geslacht, dat in de Lage Landen slechts een twaalftal soorten telt, bladsnuitkevers genoemd. Het beestje op de foto is een zijdeglans bladsnuitkever. Desalniettemin – wat hou ik toch van dat heden ten dage ten enenmale ten onrechte als oudmodisch gerepudieerd bijwoord! – behoort deze snuitkever niet tot het geslacht van de bladsnuitkevers. Hij luistert immers naar de wetenschappelijke naam Polydrusus sericeus. Het geslacht Polydrusus wordt hier en daar met de Nederlandse naam struiksnuitkevers of struiksnuittorren bedacht, kwestie van verwarring te vermijden. De zijdeglans bladsnuitkever, die dus helemaal geen bladsnuitkever is, heet dan soms groene struiksnuitkever of groene struiksnuittor. Hij lijkt als
Stacks Image 1486

Ondanks zijn officiële Nederlandse naam behoort de zijdeglans bladsnuitkever niet tot het geslacht van de bladsnuitkevers.

twee druppels water op enkele echte bladsnuitkevers, zoals de groene bladsnuitkever (Phyllobius pomaceus) en de groene beukensnuitkever (Phyllobius argentatus). Op het wereldwijde web tref je dan ook duizenden foto's aan van struiksnuittorren die eigenlijk bladsnuitkevers of vice versa zijn. Toch zijn beide geslachten, inclusief alle groene soorten, relatief makkelijk uiteen te houden. Zo zijn de groeven waarin de kevers hun voelsprieten kunnen opbergen (op de foto de zwarte streep tussen de snuit en het oog) bij soorten van het geslacht Phyllobius zelden of nooit goed
zichtbaar. Ze vallen niet op. Bovendien hebben de dijen van hun voorpoten en soms ook die van de andere een doorn. Die van Polydrusus-soorten zijn altijd helemaal glad. Je twijfelt? Kijk van boven af naar de kop van de kever in kwestie. Bij een soort van het geslacht Phyllobius tuur je dan recht in de twee holtes waaruit de voelsprieten groeien. Alsof je in zijn neusgaten kijkt. Bij een Polydrusus zie je die holtes helemaal niet of slechts gedeeltelijk, want de voelsprieten staan op de zijkant van de snuit. Het verschil is opvallend én beslissend*. Uiteraard had ik één en ander hier graag met eigen foto's geïllustreerd. Zelfs een slecht beeld zegt immers vaak meer dan duizend mooie woorden. Jammer genoeg kreeg ik in de tuin nog nooit een echte bladsnuitkever te zien. Het zou me verbazen, maar misschien komt het geslacht hier dus helemaal niet voor. De tijd zal het leren.

* Uit een reactie van Sabeth op dit stukje blijkt dat mijn beschrijving van de verschillen tussen beide kevergeslachten minder duidelijk is dan ik dacht. De woorden 'groeven' en 'holtes' zaaien verwarring. Ze verwijzen niet naar één en hetzelfde, maar naar twee verschillende lichaamsdelen. De voelsprieten groeien uit de holtes – de neusgaten, als het ware – en kunnen in de groeven worden opgeborgen. Een beetje zoals de telescopische antenne van sommige transistorradio's in de speciaal daartoe op het toestel voorziene gleuf. (Bedankt voor die knappe analogie, Sabeth. Al vrees ik wel dat ze onze leeftijd verraadt en dat de iPod-generatie zich er niets meer kan bij voorstellen.)
Het mirakel van Moerbeke

Door allerlei omstandigheden waarop ik hier niet dieper wens in te gaan, al was het maar omdat ik ze me twee jaar na datum gewoon niet meer herinner, kan ik mevrouw Vijfpoot een week lang niet observeren. Zeventien dagen na mijn eerste ontmoeting met de zwaar gehandicapte maar allesbehalve hulpbehoevende heldin van Aflevering 2, tref ik in haar web tot mijn stomme verbazing een wespenspin met de gebruikelijke twee keer vier poten aan. Vreemd, want wespenspinnen zijn buitengewoon honkvast en blijven vaak de hele zomer op dezelfde plaats ondersteboven in hetzelfde, uiterst stevige web zitten. Anders dan kruisspinnen weven ze niet haast elke dag een nieuw wielweb, maar voeren ze alleen de nodige herstelwerkzaamheden uit. Heeft een asociale
soortgenote zonder scrupules mevrouw Vijfpoots parkeerplaats voor invaliden ingenomen? Later blijkt dat inderdaad het geval te zijn, maar daarover meer in de volgende aflevering. Nu weet ik nog niet dat volwassen spinnen – afgezien dan van soorten die verschillende jaren oud worden, zoals vogelspinnen – niet meer vervellen en dus ook niet meer groeien. De combinatie van mijn ignorantie met de wetenschap dat (jonge) spinnen verloren ledematen kunnen regenereren, verleidt me ertoe om aan te nemen dat mevrouw Vijfpoot tijdens mijn afwezigheid op haast miraculeuze wijze drie gloednieuwe poten heeft gekregen. In mijn enthousiasme meen ik zelfs te kunnen constateren dat haar organische prothesen net iets korter zijn dan de ermee overeenstemmende originele exemplaren. Van het monster van Loch Ness of bigfoot tot frenologische wiskundeknobbels, intelligent design of de heilzame werking van de psychoanalyse: men ziet wat men wil zien. De vaststelling dat je daar zelf niet immuun voor bent, is zowel onthutsend als louterend en maant je tot voorzichtigheid. Eventjes dan toch, want voor je het goed en wel beseft, maak je jezelf weer wat anders wijs. Het is, om het met de titel van een boek van Nietzsche en dan meteen ook maar in de taal van Goethe te zeggen, Menschliches, Allzumenschliches. Aangezien een behoorlijke dosis zelfbedrog vaak levensnoodzakelijk en door de bank genomen vrij onschuldig is, vind ik dit mankement doorgaans eerder aandoenlijk of amusant dan onhebbelijk of bedroevend. Ik moet er vaker om glimlachen of gieren dan om vloeken of huilen. Uiteindelijk hangt alles af van de
Stacks Image 1525

De korte 'poten' aan de kop zijn de tastorganen of pedipalpen van de spin.

gevolgen voor jezelf en de rest van de wereld. Dat ik enkele dagen heb geloofd dat een volwassen wespenspin in staat is om op amper een week tijd drie poten te regenereren, heeft mezelf noch mijn medemensen ernstige schade berokkend. Via een internetforum heb ik intussen het mirakel van Moerbeke weliswaar wereldkundig en mezelf enigszins belachelijk gemaakt, maar behalve mijn eigendunk heeft daar niets of niemand onder geleden. Tref ik morgen in een web een moonwalkende wespenspin met de gelaatstrekken van Michael Jackson aan die me in keurig Nederlands diets maakt dat het einde der tijden nabij is, dan zal ik dat pas na een diepgravend, interdisciplinair onderzoek door een team van Nobelprijswinnaars, illusionisten en door de wol geverfde sceptici aan de grote klok hangen. Beloofd!
Het zwart-gele gevaar

Wat hebben de meeste beroemde uitspraken met elkaar gemeen? Dat ze nooit echt werden uitgesproken! Dat geldt vrijwel zeker ook voor de meest geciteerde boutade van de Franse wis- en natuurkundige Pierre-Simon de Laplace. Toen Napoleon Bonaparte hem erop wees dat hij in zijn boek over de werking van het universum met geen woord over God repte, zou hij hebben geantwoord: "Burger eerste consul, ik had geen behoefte aan die hypothese." Apocrief of niet, op een handvol hoofdzakelijk Amerikaanse malloten na, sluiten alle hedendaagse biologen zich bij die uitspraak aan. Om het ontstaan en de evolutie van soorten te verklaren, is het bestaan van God een volstrekt overbodige en zelfs ongerijmde hypothese. Vóór 1859, het jaar waarin de wereld kennismaakt met de evolutieleer van Darwin en Wallace, zien de meeste biologen of naturalisten echter nog overal de hand van
Stacks Image 1556

Imiteert de geringelde smalboktor een papierwesp? Best mogelijk, maar om dat nu voetstoots aan te nemen…

God in. Ze zijn diep onder de indruk van de verscheidenheid van de schepping en van hoe volmaakt de natuur in elkaar zit. Elke soort is een onveranderlijk, subliem afgewerkt radertje dat perfect in het kosmologische uurwerk van de Grote Horlogemaker in de Hemel past. De natuur is in wezen een gigantisch godsbewijs. Een doorgaans wat afgezwakte versie van deze achterhaalde opvatting is ook vandaag nog in brede kringen populair, al dan niet vermomd als intelligent design of een naïeve, behoorlijk geromantiseerde invulling van het begrip ecologisch evenwicht.
Moderne biologen laten zich echter niet langer in de luren leggen door de ogenschijnlijke volmaaktheid van het leven op onze planeet. De geniale, doelgerichte ingenieur van hun voorgangers is een onbezonnen, kortzichtige broddelaar geworden die natuurlijke selectie heet en overduidelijk maar wat aanmoddert. Hoewel ik het daarmee eens ben, erger ik me toch vaak aan de voortvarendheid waarmee sommige evolutiebiologen in de uiterlijke kenmerken van een specifieke soort de hand van die wat klunzige, bij tijd en wijle niettemin stomtoevallig inventieve doe-het-zelver zien. Zodra een volstrekt goedaardig beestje ook maar enigszins op een veel minder onschuldige soort lijkt, roepen ze in koor: "Mimicry!" Het lijdt geen twijfel dat zelfs een oppervlakkige gelijkenis met een gevaarlijke, wansmakelijke of giftige soort voordelig kan zijn en door natuurlijke selectie wordt bevorderd. Toch
heb ik een donkerbruin vermoeden dat sommige voorbeelden van mimicry die keer op keer in de literatuur opduiken meer zeggen over de teugelloze verbeelding van mijn soortgenoten dan over de reële impact van natuurlijke selectie op andere soorten. Zijn de zwart-gele patronen op de dekschilden van de geringelde smalboktor en de kleine wespenbok of op het achterlijf van de wespenspin echt stuk voor stuk illustraties van mimicry? Laten hun belagers zich zo makkelijk en blijvend misleiden? Het is niet uitgesloten, maar in sommige gevallen lijkt het me zo onwaarschijnlijk dat ik het pas
Stacks Image 1580

In mijn ogen lijkt de kleine wespenbok al wat meer op een papierwesp dan de geringelde smalboktor. Maar vinden zijn vijanden dat ook?

zal geloven als het experimenteel is bewezen. Wie weet: misschien zijn de genen of netwerken van genen die toevallig ook verantwoordelijk zijn voor het zwart-gele patroon van agressieve, stekende wespen wel gewoon zo gunstig dat ze in de loop der tijden ook bij talloze andere geleedpotigen evolueerden. Niet omwille van dat zwart-gele patroon, maar omdat ze een voor ons onzichtbaar en voorlopig nog onbekend voordeel opleveren. Dat zowel de oude Egyptenaren als de Azteken piramiden bouwden, betekent ondanks alle Atlantisgeleuter niet dat ze ooit contact hadden en de één de ander imiteerde. Een piramide is gewoon zowat de eenvoudigste manier om zonder moderne materialen en werktuigen een hoge, uiterst stabiele constructie te bouwen. Vroeg of laat komt zelfs een kluns daar achter. En dan is het hek van de dam. Eureka!
Haantjesgedrag

Ik ben een rasechte aardappeleter. Mag het even? Ofschoon ik me heel af en toe aan exotische buitenissigheden als rijst, pasta, couscous of zelfs polenta bezondig, zet ik thuis nagenoeg elke dag aardappelen op tafel. Gekookt, gestoomd, gebakken, gegratineerd, gefrituurd, geroosterd, gepureerd of en papillote: mijn echtgenote en ikzelf zijn er wild van. Wat mij betreft eindigen de Europese middeleeuwen niet met de val van het Oost-Romeinse Rijk in 1453 of met de ontdekking van Amerika in 1492, maar luidt pas de introductie van de aardappel in 1536 definitief de nieuwe tijd in. Het zit me dan ook dwars dat deze smaakvolle, veelzijdige, caloriearme en toch buitengewoon voedzame en vezelrijke knol uit de Andes in onze contreien steeds minder populair wordt. Dat komt niet alleen doordat talloze zelfverklaarde, hoofdzakelijk door damesbladen en lifestyleprogramma's gehypete dieetgoeroes – moge Magere Hein ze onverwijld halen en tot in alle eeuwigheid hun eigen gebakken lucht doen vreten! – de aardappel decennialang in een kwaad daglicht hebben gesteld. Minstens even belangrijk is het simpele feit dat de
Stacks Image 1611

Als twee zuringhaantjes vechten om één zuringhennetje…

edele aardappel keurig in een jasje zit. Je moet hem schillen, zeker als het om een al wat oudere knol gaat. Dat kost tijd – een precieus goed dat vandaag de dag blijkbaar zo schaars is dat moeder de vrouw noch vader de man ook maar vijf minuten aan piepers jassen willen verspillen – en moeite. Ik heb het ervoor over. Ik koop mijn aardappelen zelden in de supermarkt, maar gewoon tweehonderd meter verderop bij Ernest en Georgette, mijn agriculturele overburen. Voor een zak van 25 kilo betaal ik dan vijf à tien euro. Bij de warme bakker koop je daar tegenwoordig amper twee
à vier broden van 800 gram voor. Misschien wel mijn meest geliefde aardappelgerecht is zuringstamppot, hier te lande beter bekend als zurkelpatatten. Zurkel of zuring is één van die oude, vergeten groenten die stilaan weer wat bekender worden. Jaren geleden heb ik in de moestuin maagdenzuring geplant. Rumex montanus is een overblijvende soort die nooit bloeit en vanaf het vroege voorjaar tot diep in de herfst massa's frisgroene zuring levert. Ook het groen zuringhaantje, een petieterig kevertje met fel glanzende dekschilden, is er dol op. Zodra mijn vrouw voldoende zuring heeft geoogst, gestoofd en ingevroren, laat ik deze blinkende beestjes en hun vraatzuchtige larven hun gang gaan. Ik zie ze nu eenmaal graag bezig. Linksboven op de foto berijdt een mannetje een vrouwtje. Haar gezwollen achterlijf zit propvol eitjes. Terwijl meneer zich met toewijding van zijn taak kwijt, trippelt ze parmantig voort. Als er plots een rivaal opduikt, komt het echter al snel tot een pootgemeen. Meneer wordt uit het zadel gelicht en er volgt een herculisch haantjesgevecht. Een spreekwoordelijke derde hond profiteert daarvan om het vrouwtje te bestijgen en loopt ermee heen. Dat zal ze leren!
Lolita's in de boomgaard

Kevers kennen een volkomen gedaanteverwisseling. Ze zijn holometabool. Uit hun eitjes komen larven die vervellen, groeien en uiteindelijk verpoppen, net zoals een vlinderrups. Het groen zuringhaantje is een kever. Wantsen zijn hemimetabool. Uit hun eitjes komen nimfen die bij elke vervelling een gedeeltelijke gedaanteverwisseling ondergaan en steeds beter op hun ouders lijken. Nimfen van de zuringrandwants vervellen een vijftal keer voor ze volwassen zijn. Terwijl het groen zuringhaantje en zijn larven de maagdenzuring in de moestuin kaalvreten, verkiezen de zuringwants en zijn nimfen de verschillende soorten wilde zuring in de boomgaard. Zelfs de rabarber, een ander lid van de duizendknoopfamilie, kan ze nauwelijks bekoren. De nimfen van wantsen en libellen hebben vaak veel weg van een kruising tussen Jeff Hoeyberghs en de monsters uit Alien. Ze zijn, in
mensenogen, spuuglelijk. Vreemd, want in de Griekse mythologie zijn nimfen juist lieftallige, min of meer goddelijke jongedames met een overdosis sexappeal. Googel nymph – afbeeldingen en je krijgt veel meer bekoorlijke blote meisjes dan weerzinwekkende jonge insecten te zien. Maar kijk uit: voor je het weet, beland je op een site vol al dan niet legale, min of meer compromitterende foto's en filmpjes van zogenaamde lolita's. Ooit was Lolita gewoon een hypocoristicon van Dolores, meteen ook de echte naam van het titelpersonage van de
Stacks Image 1650

De zuringrandwants is één van de weinige insecten die ik bijna het hele jaar door in de tuin te zien krijg.

schandaalroman van Vladimir Nabokov uit 1955. Nabokov was niet alleen een romancier, maar ook een verdienstelijk lepidopterist of vlinderaar. Het geslacht Nabokovia en verschillende soorten vlinders, zoals Madeleinea lolita, zijn naar hem of naar personages uit zijn romans genoemd. Uiteraard wist Nabokov dat nimfen van wantsen en andere hemimetabole insecten meestal allesbehalve oogstrelende honneponnetjes zijn. In het Engels, de taal waarin hij Lolita schreef, wordt echter ook een vlinderpop wel eens een nymph of nympha genoemd. Als het hoofdpersonage de twaalfjarige bakvis waardoor hij geobsedeerd raakt een nymphet of nimfje noemt, verwijst hij daarmee dan ook niet naar de verschillende nimfenstadia van hemimetabole insecten, maar naar de pop van een vlinder en de nimfen van de oude Grieken. Het boek zorgde er in elk geval voor dat
Stacks Image 1666

In vogelperspectief valt het verschil meteen op, maar in profiel lijkt de nimf van de zuringrandwants na de voorlaatste gedaanteverwisseling al heel goed op een imago.

vroegrijpe, wulpse tienermeisjes nu heel vaak en in tientallen talen lolita's worden genoemd, ook in het Nederlands. Het woord staat in het Groene Boekje en slaat volgens de veertiende, herziene uitgave van de Dikke Van Dale op een "meisje in de leeftijd van de (pre)puberteit (10-14 jaar) als object en subject van seksuele gevoelens en ervaringen". Volwassenen die zich tot lolita's aangetrokken voelen, hebben volgens hetzelfde woordenboek een lolitacomplex. In het Japans wordt die term afgekort tot lolicon en verwijst hij niet alleen naar het complex in kwestie, maar ook naar de
mensen die eraan lijden én naar stripverhalen en tekenfilms waarin lolita's een hoofdrol spelen. Googel lolicon – afbeeldingen en je ziet meteen wat dat inhoudt. Rare jongens, die Japanners? Surf naar de eerste de beste pornosite, tik de zoekterm "lolita" in en je merkt al snel dat het fenomeen zich niet beperkt tot het land van de rijzende zon. Gelukkig zijn de lolita's in kwestie meestal volwassen vrouwen met Pippi Langkousvlechten, verkleed in een namaakschooluniform met een doorgaans veel te korte ruitjesrok. Daar is niets mis mee, maar ik word er ook niet vrolijk van. Het stemt tot nadenken. Maar wie ben ik om hierover een oordeel te vellen? Dat mijn fantasie meer wordt geprikkeld door de piepjonge wantsen in de boomgaard dan door de al dan niet echte lolita's op het wereldwijde web is per slot van rekening óók een afwijking. Ik heb, laat ik het maar bekennen, een nimfencomplex.
Reageer op deze aflevering


Is dit je eerste bezoek aan de Heuvelstraat 37? Neem dan even de tijd om de site te verkennen en teken eventueel ook het Gastenboek. Tot de volgende keer!
(Reacties op de Nederlandse en Engelse versie zijn samengevoegd. Franse of Duitse reacties zijn welkom. Antwoorden doe ik soms in het Engels.)


Geraardsbergen, 8 augustus 2012.
Laatst aangepast op 29 november 2016.