8.
Stacks Image 1721
Stacks Image 1735
Stacks Image 1739
Als knoflook naar onzin ruikt

Raak je maar niet in verwachting? Dan moet je beslist eens het volgende proberen. Pel vier tot vijf grote knoflooktenen, bij voorkeur van het soort met een paarsig velletje, zoals die van het knoflook uit mijn moestuin op de foto. Wikkel de tenen in een schoon katoenen doekje tot een worst, bind het geheel samen met keukentouw en laat het tien minuten trekken in lauwe extra virgin olijfolie. Breng het knoflookworstje vervolgens in je vagina in, net zoals een gewone tampon, en laat het daar minstens drie uur zijn werk doen. Binnen het jaar sta je dan luiers te verversen. Of niet.

Het wereldwijde web barst van de ridicule remedies die op de zogenaamd genezende, ontsmettende en bloedreinigende werking van knoflook zijn gebaseerd, maar het bovenstaande huis-tuin-en-keukenmiddeltje slaat alles. In sommige streken van Noord-Afrika zou het een behoorlijk populaire vruchtbaarheidsbehandeling zijn, vooral bij jonge, nog kinderloze echtgenotes. Of het werkt? Natuurlijk niet, maar ik vrees dat vrouwen die wanhopig genoeg zijn om knoflook in hun kut te proppen daar niet zo makkelijk van te overtuigen zijn. Het is en blijft een belachelijke praktijk, maar het geeft geen pas om de vrouwen in kwestie belachelijk te maken. Ze hebben nu eenmaal geen toegang tot een fertiliteitscentrum. Ze roeien met de riemen die ze hebben.
Stacks Image 2717

Knoflook uit de moestuin. Een lekkernij maar geen wondermiddel.


Minder begrip heb ik voor kalende mannen die, in de ijdele hoop op een volle haardos, elke avond knoflook op hun schedel smeren. Misschien maakt dit orale seks met een vrouw die pas een knoflooktampon heeft verwijderd net iets minder onappetijtelijk. Het komt me niettemin voor dat haarverlies lang niet zo penibel is als een onvervulde kinderwens. Maar wie ben ik om dat te beoordelen?

Zoals talloze andere planten bevat knoflook wel degelijk enkele uiterst interessante stoffen, maar het is zeker niet
de panacee waarvoor het zo algemeen wordt geprezen. De meeste gezondheidsvoordelen die aan het eten, smeren of snuiven ervan worden toegeschreven, zijn niet onderbouwd, uiterst dubieus of simpelweg bewezen onzin. Maar knoflook verlaagt wel je slechte cholesterol of hoge bloeddruk, niet? Misschien, maar alleen als je minstens twee dozijn rauwe tenen per dag eet en dat wekenlang volhoudt. Gezien enkele minder gunstige maar onvermijdelijke neveneffecten, zoals dodelijke eenzaamheid, heeft niemand dat ooit geprobeerd.

Hoe zit het dan met ongediertebestrijding? Werkt het sproeien van je rozen of groenten met knoflookthee echt tegen bladluizen, rupsen, slakken, bladwespenlarven en ander gespuis? Blijkbaar wel, al werkt sproeien met extracten van heel wat andere planten net zo goed, zeker als je er, zoals gebruikelijk, wat bruine zeep of detergent aan toevoegt. Aangezien ik het nooit zelf probeerde, schort ik mijn oordeel liever op. Intussen kan ik wel bevestigen dat knoflook vampiers afschrikt. Er viel hier, sinds ik ruim vijftien jaar geleden met de teelt ervan begon, kilometers in de omtrek geen vampier meer te bespeuren.
Sommige uilen zijn niet wat ze lijken

De gamma-uil, een algemene trekvlinder, is een van die zogenaamde nachtvlinders die ook overdag actief zijn. Autographa gamma dankt zowel zijn wetenschappelijke als zijn Nederlandse naam aan de duidelijk zichtbare,
zilverwitte y-vormige vlek op zijn voor de rest eerder onopvallende, bruingrijze voorvleugels. Het aantal gamma-uilen kan van jaar tot jaar sterk verschillen, net zoals dat van veel andere dag- en nachtvlinders en zeker dat van trekvlinders. In de zomers van 2010 en 2013 krioelde het ervan. In de tussenliggende jaren en na de massale invasie van 2013 kreeg ik er in de tuin aan de Heuvelstraat 37 echter nooit meer dan een dozijn tegelijk te zien. De eerste golf gamma-uilen bereikt onze contreien meestal in mei of juni, afhankelijk van de weersomstandigheden en de overheersende windrichting. Het feit dat deze frêle vlindertjes erin slagen om de afstand tussen het Afrikaanse of Europese Middellandse Zeegebied en de Lage Landen te overbruggen en soms zelfs Finland bereiken, zal me wel altijd blijven verbazen.

Honkvast geworden dubbelganger

Stacks Image 4777

Gamma-uil op lavendel.

Ook al lijkt het aantal exemplaren in de Lage Landen een dalende trend te vertonen, toch is de gamma-uil hier elke zomer nog altijd een van de meest algemene dagactieve trekvlinders. Zijn dubbelganger, de getekende gamma-uil, is veel zeldzamer en een relatief recente verschijning. Tot in het begin van de 20ste eeuw kwam de soort alleen
Stacks Image 4977

Getekende gamma-uil (boven) versus gamma-uil (onder).

in Centraal- en Zuid-Europa voor. In Nederland werden de eerste dwaalgasten pas in 1934 gespot. Twee jaar later dook de soort ook officieel in België op. Intussen is de getekende gamma-uil in beide landen een standvlinder geworden. In 1951 stak de soort voor het eerst het Kanaal over, maar terwijl de gamma-uil in het Verenigd Koninkrijk veruit de meest algemene treknachtvlinder is, is zijn dubbelganger er nog altijd uiterst zeldzaam. Enkele jaren geleden werd er niettemin al een kleine residentiële populatie ontdekt, meer bepaald in het Beddington Farmlands Nature Reserve.

In de Lage Landen zou
Macdunnoughia confusa vandaag al een vrij algemene standvlinder zijn. In de tuin aan de Heuvelstraat 37 kreeg ik echter pas in september 2016 voor het eerst en voorlopig ook het laatst een exemplaar te zien, smullend van de nectar van een vlinderstruik. Gelukkig had ik mijn camera bij, want het was pas toen ik de foto's bewerkte dat het mij opviel dat het hier niet gewoon om het zoveelste gamma-uiltje ging. De vlinder leek iets kleurrijker en de witte vlekken op de voorvleugels, die niet echt y-vormig waren, eindigden in een dunne, rechte lijn die tot op de rug doorliep. Telkens ik hier nu een vlinder zie fladderen die op het eerste gezicht een gamma-uil is, probeer ik hem van dichtbij te bekijken, hopend op een tweede waarneming van zijn honkvast geworden dubbelganger. Belachelijk, ik weet het. Maar geldt dat niet voor zowat alles wat het leven de moeite waard maakt?
Een vreemd geval van evidentie

"Je moet alles zo simpel mogelijk maken. Maar niet nog simpeler." Deze gevleugelde woorden worden toegeschreven aan Albert Einstein. Ik kan me echter moeilijk voorstellen dat hij ooit iets zou hebben gezegd dat zo flagrant onlogisch is. Ook al was hij niet meteen een aardige kerel*, hij was per slot van rekening wel een genie. Het is nogal wiedes dat je niet iets groter, kleiner, sneller, trager, langer, korter, warmer, kouder, harder, zachter, donkerder, lichter, ingewikkelder of simpeler kan maken dan mogelijk is. Zelfs een twitterende teringlijder als poesjesgraaier Donald Trump zou nooit beweren dat hij Amerika groter dan mogelijk zal maken. Hij wil het land alleen maar weer groot maken. Een behoorlijk belachelijke ambitie, zeker aangezien Amerika volgens hemzelf, nagenoeg al zijn aanhangers en zelfs het leeuwendeel van zijn inheemse tegenstanders toch al the greatest nation
in the world is. Impliceert de slogan Make America Great Again niet dat het land niet langer groot, laat staan het grootst is? Het vermeende einsteiniaanse citaat wordt meestal beschouwd als een waarschuwing voor oversimplificatie en een vuistregel voor non-fictie en meer bepaald wetenschapsschrijvers. Vind ik prima, vooral omdat ik lang niet snugger genoeg ben om echt vat te krijgen op het grootste deel van de postnewtoniaanse fysica en haast volledig afhankelijk ben van popularisaties en knappe analogieën om me toch iets te kunnen voorstellen bij
Stacks Image 4867

Derde of vierde larvenstadium van een citroenlieveheersbeestje.

higgsdeeltjes, donkere materie, parallelle universums, wormgaten, snaren, singulariteiten en andere verbijsterende, volstrekt tegenintuïtieve curiositeiten.

Eenvoud is onnatuurlijk

Het menselijke brein mag dan al een voorkeur voor eenvoud hebben, het uni- of multiversum maalt er niet om. Deed het dat wel, dan was het nooit op de proppen gekomen met iets wat zo belachelijk complex, gruwelijk rommelig en volstrekt onvoorspelbaar is als het leven. Neem bijvoorbeeld de larven van
holometabole insecten als vlinders of kevers. Of we ze nu rupsen, ritnaalden, engerlingen, aardrupsen, maden, emelten, bastaardrupsen of meelwormen noemen, één ding hebben ze gemeen: ze lijken niet of nauwelijks op hun ouders. Als je een larve ontdekt waarmee je niet vertrouwd bent, moet je vaak al een halve entomoloog zijn om de insectenorde of -familie ervan te bepalen, laat staan het geslacht of de soort. Dit wordt perfect geïllustreerd door de larven van nagenoeg alle lieveheersbeestjes. Als ik een euro had voor elke e-mail waarin mij wordt gevraagd om een bizar, stekelig
Stacks Image 5095

In het Engels wordt het kevertje een 22-spot ladybird of 22-stippelig lieveheersbeestje genoemd. De stippen op het halsschild tellen niet mee.

insect te determineren dat uiteindelijk de zoveelste larve van een veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje blijkt te zijn, dan kon ik nu minstens een halve krat Duvel kopen.

Citroengeel buitenbeentje

Op 16 juli 2017, terwijl ik een bloeiende zode
gehoornde klaverzuring aan de voet van een klimroos fotografeer, ontdek ik een piepkleine lieveheersbeestjeslarve die ik nooit eerder heb gezien. Niettemin kan ik ze in een oogopslag tot op soortniveau determineren, zonder dat ik eerst een insectengids, determinatiesleutel of Google hoef te consulteren. Dat komt
doordat de kleuren van de larve, die voor de rest absoluut niet op een volwassen kever lijkt, perfect overeenkomen met die van een lieveheersbeestje dat ik eerder al geregeld in de tuin heb waargenomen en gefotografeerd: het citroenlieveheersbeestje. Ik ben behoorlijk zeker van mijn zaak, maar door scha en schande wijs geworden, triplecheck ik mijn determinatie. Maar het klopt: het is gewoon echt de larve van een citroenlieveheerstbeestje. Was alles altijd maar zo simpel! Dat het geen kennersoog vergt om de larve te determineren, is overigens niet de enige bijzonderheid die het citroenlieveheersbeestje van nagenoeg alle andere inheemse lieveheersbeestjes onderscheidt. Anders dan de meeste van zijn familieleden, is dit kevertje een carnivoor noch herbivoor. Het is een fungivoor of schimmeleter die hoofdzakelijk leeft van allerlei soorten echte meeldauw, inclusief de soorten die zo vaak boontjes, erwten, tomaten, komkommers, pompoenen en andere groenten aantasten. Zowel de volwassen kevers als hun larven werken grote hoeveelheden van het spul naar binnen en zijn dan ook goede kandidaten voor de biologische bestrijding van deze schimmelziekten, zeker in de glastuinbouw**. Jammer genoeg zijn veel van de meest algemeen gebruikte fungiciden in de klassieke, geïntegreerde en biologische landbouw, zoals myclobutanil en spuitzwavel, dodelijk giftig voor deze kevertjes. Collaterale schade? Het komt me voor dat de vijanden van je vijanden doden op langere termijn toch niet meteen een gezonde strategie is. Al stel ik de zaken nu wellicht veel simpeler voor dan ze in werkelijkheid kunnen zijn.

* Ik bewonder Einstein, maar alleen als fysicus. Als mens vind ik hem maar een etter en een mislukkeling. De manier waarop hij zijn eerste vrouw, Mileva Marić, hun dochter en hun tweede zoon behandelde, was simpelweg beneden alle peil.

** Bronnen:
  • Mycophagy in Coccinellidae: Review and synthesis, Andrew M. Sutherland, Michael P. Parrella, 2009 (pdf).
  • First record of the mycophagous ladybird Psyllobora vigintiduopunctata on greenhouse cucumber plants in Crete (Greece), K. Karataraki, E. Goumenaki, E. Raftakis, D. Goutos en E. Kapetanakis, 2015 (pdf).
De enige Chalcolestes in het dorp

Hallo! Je mag me een houtpantserjuffer noemen, maar mijn echte naam is Lestes viridis. Nou ja, vroeger dan toch. Enkele jaren geleden begonnen ze me plots Chalcolestes viridis te noemen. Dat heeft alles te maken met mijn wat aparte manier van leven en met hoe ik eruitzag toen ik jong was en, me van kwaad noch seks bewust, onbekommerd jacht maakte op watervlooien. Mij best. Stiekem ben ik zelfs trots op mijn nieuwe naam. Hij geeft me het gevoel dat ik bijzonder ben. Terwijl het geslacht Lestes meer dan tachtig soorten telt, telt het geslacht Chalcolestes er amper drie. Een daarvan, de oostelijke houtpantserjuffer of C. parvidens, werd vroeger als een ondersoort van mij beschouwd, maar omwille van minieme morfologische, genetische en gedragsverschillen tot een volwaardige soort gepromoveerd. Het valt niet mee om ons uit elkaar te houden. We zijn zo nauw verwant dat we zonder scrupules paren en met goed gevolg kruisen. Als ik in Italië of de Balkan was geboren, was ik misschien
wel een F1-hybride geweest. Maar in de Lage Landen en het grootste deel van de rest van het Europese vasteland ben ik, bij wijze van spreken, de enige Chalcolestes in het dorp. Eind vorige eeuw staken enkele van mijn soortgenoten het Kanaal over om alvast het zuiden van Engeland te koloniseren. Naar verluidt doen ze het uitstekend. Ik wens ze veel geluk en buitengewoon milde winters. Maar hoe zit het met het derde lid van mijn ongemeen kleine geslacht? Net zoals alle maki's en nagenoeg alle tenreks komt C. silvaticus alleen voor op Madagaskar. Afgezien daarvan is er zo weinig over
Stacks Image 5162

In rust houdt de houtpantserjuffer zijn vleugels min of meer gespreid, bijna zoals een echte libel.

bekend dat het best wel eens gewoon de zoveelste Lestes zou kunnen zijn. Op het eerste gezicht, ook al zijn goede portretten zeldzaam en moeilijk te vinden, lijkt dat me zelfs heel aannemelijk.

Bijzonderder en bijzonderder

In de Lage Landen wordt mijn ex-geslacht dezer dagen door slechts vier soorten vertegenwoordigd: de gewone pantserjuffer (
L. sponsa), de tangpantserjuffer (L. drias), de zwervende pantserjufer (L. barbarus) en de tengere pantserjuffer (L. virens). In het Verenigd Koninkrijk komt alleen L. sponsa algemeen voor, terwijl L. drias en L. barbarus er haast overal ontbreken en L. virens niet van de partij is. Van een afstand en voor een ongeoefend oog lijken ze allemaal op elkaar. Ze lijken ook op mij, veel meer dan om het even welke andere inheemse juffer. We hebben heel wat gemeen. Tenzij we pas zijn uitgeslopen, houden we onze vleugels in rust gespreid, bijna zoals een echte libel. Daaraan danken we onze Engelse bijnaam spread-winged damselflies of, kortweg, spreadwings. Dat we allemaal lijken te zijn gemaakt van zorgvuldig opgeblonken metaal, leverde ons dan weer de Nederlandse bijnaam pantserjuffers op. We zijn ridders in vol ornaat, glanzend groen of goud geharnast. Lestes is afgeleid van het Grieks voor plunderaar of rover en Chalcolestes maakt van mij een koperen of bronzen bandiet. Ik ben wat groter uitgevallen dan om het even welke inheemse Lestes en mijn achterlijf is zichtbaar langer. Mijn bruine
Stacks Image 5172

Het borststuk van de houtpantserjuffer vertoont altijd een kenmerkend doorntje of spoor.

pterostigmata zijn duidelijk afgelijnd en zowel groter als lichter dan die van andere uitgekleurde lokale pantserjuffers. Bij de mannetjes van mijn geslacht ontbreekt ook de blauwe berijping van de meeste volwassen Lestes mannetjes. Er zijn natuurlijk nog heel wat andere verschillen, zoals de kleuren en de vorm van onze aanhangselen. Bij twijfel kijk je best gewoon naar de zijkant van het borststuk. Anders dan dat van alle andere pantserjuffers, vertoont mijn borststuk een opvallende, doornachtige tekening die vaak als een spoor wordt omschreven.
Maar wat mij en mijn zustersoort C. parvidens echt onderscheidt, niet alleen van andere pantserjuffers maar van alle andere Europese libellen, is dat we onze eitjes in tandem afzetten in de schors van levend hout, zoals dat van over het water hangende wilgen- of elzentakken. Riskant, maar het werkt.

Dik verdiende vleugels

We leggen onze eitjes laat in de herfst. De eerste weken, omhuld door een galachtige uitwas, ontwikkelen die zich vrij snel. Maar naarmate de winter nadert en het frisser wordt, vertraagt de ontwikkeling om uiteindelijk nagenoeg stil te vallen. In de lente komen onze pronimfen uit. Ze breken uit hun omhulsel en vallen in het water. Als ze geluk hebben, tenminste. Anders spartelen ze als een vis op het droge, in de hoop om uiteindelijk toch in het levensnoodzakelijke aquatische milieu te belanden. Als alles goed gaat, wat zelden het geval is, verlaten onze volgroeide nimfen twee tot drie maanden later het water voor hun laatste, meest hachelijke vervelling. Eenmaal goed en wel uitgeslopen, hebben ze hun vleugels verdiend en vliegen ze weg. We zien er nu uit als volwassen houtpantserjuffers, maar zijn nog niet geslachtsrijp. In deze fase van ons leven worden we vaak kilometers ver van geschikte voortplantingsplaatsen waargenomen en belanden sommigen van ons, zoals ik, in de tuin aan de Heuvelstraat 37. Die heeft een vijver, maar geen overhangende takken. Anders dan alle andere libellen in de tuin, afgezien van occasionele bezoekers als de
weidebeekjuffer, planten we ons hier dan ook niet voort. In het natuurreservaat aan de overkant van de straat vinden we gelukkig heel wat poelen en plassen met overhangende wilgentakken. Ideaal. Dat is dan ook mijn volgende bestemming. Tot ziens!
Reageer op deze aflevering


Is dit je eerste bezoek aan de Heuvelstraat 37? Neem dan even de tijd om de site te verkennen en teken eventueel ook het Gastenboek. Tot de volgende keer!
(Reacties op de Nederlandse en Engelse versie zijn samengevoegd. Franse of Duitse reacties zijn welkom. Antwoorden doe ik soms in het Engels.)


Geraardsbergen, 22 augustus 2017.
Laatst aangepast op 8 november 2017.